Mynawoo

This website uses cookies.

Dutch · CEFR A1–C2 · Portuguese
CEFR A1–C2 courseTaught in Portuguese

Dutch · CEFR A1–C2 · Portuguese

Aprenda holandês passo a passo, do nível iniciante A1 ao avançado C2, com explicações claras em português. Este curso estruturado desenvolve gramática, vocabulário, leitura, compreensão auditiva, escrita, pronúncia e comunicação prática para viagens, estudos, trabalho, mudança para o exterior e vida cotidiana.

The first 2 lessons are free to preview — no card needed.

6Levels
110Lessons
2Free previews
DutchLanguage

Why this course actually works

A complete CEFR grammar syllabus from A1 to C2 — taught in Portuguese, not a vocabulary game.

Grammar-first, end to end

A full A1–C2 syllabus where every structure is taught in order, on a board, with a teacher's voice — not scattered tips between mini-games.

Explained in Portuguese

You meet each rule in the language you already think in, then practise it in Dutch. Nothing is left to guesswork.

Five skills in one lesson

Grammar, reading, listening, writing and speaking are built into the same course, so what you learn on Monday you use all week.

Built so you don't forget

Smart flashcards and the Leitner system schedule reviews around your mistakes, turning short-term wins into long-term memory.

What you getTypical appsMynawoo
Complete CEFR grammar syllabus, A1 to C2
Every rule explained in your mother tongue
Corrections and feedback on what you write and say
Spaced repetition tuned to your own mistakes

How you will learn

Every lesson blends five skills, explained in your own language so nothing stays abstract.

Step-by-step grammar

Guided notebooks explain each rule in your mother tongue, then show it working in real Dutch sentences.

Reading with support

Short texts with audio, tap-to-translate vocabulary and comprehension checks after every passage.

Listening practice

Native-speed audio with transcripts, replay controls and quizzes that show exactly what you missed.

Writing with feedback

Prompts matched to your level, corrected sentence by sentence with an explanation for every change.

Speaking drills

Record yourself, compare with the model answer and build confidence before you speak to a real person.

Where this course takes you

Each CEFR level unlocks something you can actually do in real life.

  1. A1

    A1 — First real sentences

    20 lessons

    Basic phrases and simple daily conversations: greetings, introductions, numbers, times and places.

  2. A2

    A2 — Everyday situations

    21 lessons

    Understanding common phrases and easy interactions: shopping, directions, plans, past and future.

  3. B1

    B1 — Holding your own

    18 lessons

    Writing and speaking in more complex situations, explaining opinions and handling the unexpected.

  4. B2

    B2 — Work and study ready

    20 lessons

    Enough fluency for work and study: meetings, interviews, reports and detailed discussion.

  5. C1

    C1 — Precision and nuance

    20 lessons

    Academic and professional register, argument structure, hedging, and control of tone.

  6. C2

    C2 — Near-native command

    11 lessons

    Implication, irony, style and high-stakes communication where every word choice counts.

With steady daily practice, most learners reach a confident B2 in around nine months — and the whole path to C2 is already written and waiting.

What you will study

Lesson topics pulled automatically from this course outline.

Het werkwoord 'zijn'Het werkwoord 'hebben'Persoonlijke voornaamwoordenRegelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijdDe basiszinsbouw: Onderwerp - Werkwoord - RestDe lidwoorden 'de' en 'het'Het onbepaald lidwoord 'een' en meervoudBijvoeglijke naamwoorden: positie en basisgebruikDe verbuiging van het bijvoeglijk naamwoordJa/nee-vragen maken met inversie

Free preview lessons

Open a complete lesson and experience the classroom before you continue.

Full course outline

Levels, units, and lesson titles from the live database.

A1Level A110 units20 lessons

Unit 1

  • 2Het werkwoord 'zijn'
  • 3Het werkwoord 'hebben'
  • 4Persoonlijke voornaamwoorden

Unit 2

  • 2Regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd
  • 3De basiszinsbouw: Onderwerp - Werkwoord - Rest

Unit 3

  • 2De lidwoorden 'de' en 'het'
  • 3Het onbepaald lidwoord 'een' en meervoud

Unit 4

  • 2Bijvoeglijke naamwoorden: positie en basisgebruik
  • 3De verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord

Unit 5

  • 2Ja/nee-vragen maken met inversie
  • 3Vragen stellen met vraagwoorden
  • 4Ontkenning met 'niet' en 'geen'

Unit 6

  • 2Preposities van plaats: in, op, onder, naast
  • 3Preposities van tijd: om, in, op

Unit 7

  • 2Modale werkwoorden: kunnen, willen, moeten
  • 3Modale werkwoorden: mogen en zullen

Unit 8

  • 2Bezittelijke voornaamwoorden: mijn, jouw, zijn, haar
  • 3Aanwijzende voornaamwoorden: deze, die, dit, dat

Unit 9

  • 2De imperatief: bevelen en verzoeken

Unit 10

  • 2Coördinerende voegwoorden: en, maar, want, of, dus
A2Level A210 units21 lessons

Unit 1

  • 2De Voltooid Tegenwoordige Tijd met 'hebben'
  • 3De Voltooid Tegenwoordige Tijd met 'zijn'
  • 4Onregelmatige Werkwoorden in de V.T.T.

Unit 2

  • 2De Onvoltooid Verleden Tijd (O.V.T.)
  • 3Onregelmatige Werkwoorden in de O.V.T.
  • 4V.T.T. versus O.V.T.: Wanneer gebruik je welke?

Unit 3

  • 2Scheidbare Werkwoorden in de Tegenwoordige Tijd
  • 3Scheidbare Werkwoorden in de Verleden Tijd en met Modale Werkwoorden

Unit 4

  • 2De Vergrotende en Overtreffende Trap
  • 3Onregelmatige Vormen van de Comparatief en Superlatief

Unit 5

  • 2Bijzinnen met 'omdat' en 'dat'
  • 3Bijzinnen met 'als', 'terwijl' en 'toen'

Unit 6

  • 2Betrekkelijke Bijzinnen met 'die' en 'dat'

Unit 7

  • 2Persoonlijke Voornaamwoorden: Objectvorm
  • 3Wederkerende Werkwoorden

Unit 8

  • 2Modale Werkwoorden: Herhaling en Gebruik
  • 3Modale Werkwoorden in de Verleden Tijd

Unit 9

  • 2Woordvolgorde: Tijd, Manier, Plaats
  • 3Indirecte Vragen

Unit 10

  • 2Verkleinwoorden (Diminutief)
  • 3De Gebiedende Wijs (Imperatief)
B1Level B110 units18 lessons

Unit 1

  • 2De bijzin: Tijd verbinden met 'terwijl', 'voordat' en 'nadat'
  • 3De bijzin: Reden en gevolg met 'doordat' en 'zodat'
  • 4De bijzin: Tegenstelling en voorwaarde met 'hoewel', 'tenzij' en 'mits'

Unit 2

  • 2Het passief: 'worden' + voltooid deelwoord
  • 3Het passief: Verschil tussen 'worden' en 'zijn'

Unit 3

  • 2Relatieve bijzinnen: 'die' en 'dat' herhaald en verdiept
  • 3Relatieve bijzinnen: Preposities met 'waar' en personen

Unit 4

  • 2Het ongrijpbare woordje 'er'
  • 3Het woordje 'er' met hoeveelheden en preposities

Unit 5

  • 2De 'om ... te' constructie: Een doel uitdrukken

Unit 6

  • 2Verleden tijden: Wanneer gebruik je het imperfectum?
  • 3Verleden tijden: Wanneer gebruik je het perfectum?

Unit 7

  • 2Conditionele zinnen: De reële voorwaarde met 'als'
  • 3Conditionele zinnen: De irreële voorwaarde met 'zou'

Unit 8

  • 2Modale werkwoorden in het perfectum: 'hebben kunnen', 'hebben moeten'

Unit 9

  • 2Scheidbare en onscheidbare werkwoorden: Herkenning en gebruik

Unit 10

  • 2De indirecte rede: Iets navertellen
  • 3De indirecte rede: Vragen navertellen
B2Level B210 units20 lessons

Unit 1

  • 2Het Passief: De focus verleggen met 'worden'
  • 3Het Passief: Resultaat met 'zijn' en de dader met 'door'
  • 4Het Passief met Modale Werkwoorden

Unit 2

  • 2Conditionele Zinnen: De reële voorwaarde
  • 3Conditionele Zinnen: De onwerkelijke voorwaarde

Unit 3

  • 2Modale Werkwoorden in het Perfectum
  • 3Het Verschil tussen 'moest' en 'heeft moeten'

Unit 4

  • 2Voegwoorden van Oorzaak en Gevolg: 'doordat', 'zodat', 'opdat'
  • 3Voegwoorden van Tegenstelling en Toegeving: 'hoewel', 'ondanks dat', 'terwijl'

Unit 5

  • 2Relatieve Bijzinnen: 'Waar' + voorzetsel
  • 3Relatieve Bijzinnen: Verwijzen naar personen met voorzetsels

Unit 6

  • 2Het Partikel 'er': Herhaling en Plaatsbepaling
  • 3Het Partikel 'er': Voorlopig Onderwerp en in Passieve Zinnen

Unit 7

  • 2Het Tegenwoordig Deelwoord: 'lachend', 'zingend', 'rennend'
  • 3Het Voltooid Deelwoord als Bijvoeglijk Naamwoord

Unit 8

  • 2Woordvolgorde: Inversie na verbindingswoorden
  • 3Woordvolgorde: De plaats van bijwoorden

Unit 9

  • 2Nominaliseren: Van werkwoord naar zelfstandig naamwoord

Unit 10

  • 2Indirecte Rede: Vragen en Opdrachten
  • 3Indirecte Rede: Tijdverschuiving (Backshift)
C1Level C110 units20 lessons

Unit 1

  • 2Concessie uitdrukken: 'hoewel', 'ofschoon' en 'ondanks dat'
  • 3Voorwaarden stellen: 'mits', 'tenzij' en 'op voorwaarde dat'

Unit 2

  • 2Gevolg en proportionaliteit: 'naarmate', 'naargelang' en 'zodat'
  • 3Doel en vergelijking: 'opdat', 'alsof' en 'als het ware'

Unit 3

  • 2Substantivering: Het gebruik van infinitieven als zelfstandig naamwoord
  • 3Substantivering: Adjectieven en deelwoorden als zelfstandig naamwoord

Unit 4

  • 2Modale hulpwerkwoorden: 'schijnen te', 'lijken te' en 'blijken te'
  • 3De nuances van 'hoeven te' en het verschil met 'moeten'

Unit 5

  • 2Modaliteit in het verleden: 'had moeten...' en 'zou hebben...'
  • 3De vele gezichten van 'zouden'

Unit 6

  • 2Het passief: 'worden' versus 'zijn'
  • 3Speciale passieve vormen: 'krijgen'-passief en de onpersoonlijke passief

Unit 7

  • 2Beknopte bijzinnen met een tegenwoordig deelwoord
  • 3Beknopte bijzinnen met een voltooid deelwoord
  • 4De 'te + infinitief' constructie

Unit 8

  • 2Complexe betrekkelijke bijzinnen: Voorzetsel + 'wie' of 'dat'
  • 3Betrekkelijke bijzinnen: 'Waar' + voorzetsel

Unit 9

  • 2Stylistische inversie voor nadruk
  • 3De tangconstructie en hoe deze te beheersen

Unit 10

  • 2Finesses van het perfectum: 'hebben' of 'zijn' bij ergatieve werkwoorden
C2Level C210 units11 lessons

Unit 1

  • 2Zouden: Tussen Hypothese en Beleefdheid
  • 3Modale Partikels: Wel, Toch, Maar, Eens

Unit 2

  • 2Nominalisatiestijl: Van Werkwoord naar Zelfstandig Naamwoord

Unit 3

  • 2De Tangconstructie: Beheersing en Begrip

Unit 4

  • 2Beknopte Bijzinnen met Deelwoorden

Unit 5

  • 2Geavanceerde Inversie: Stijl en Nadruk

Unit 6

  • 2Formele Prepositionele Uitdrukkingen

Unit 7

  • 2De Finesses van 'Er': Complexe Gevallen

Unit 8

  • 2Grammatica binnen Idiomatische Uitdrukkingen

Unit 9

  • 2Subtiele Verschillen tussen Conjuncties

Unit 10

  • 2Registerverschuiving door Grammaticale Keuzes

Frequently asked questions

Everything learners usually ask before starting this course.

+Can I try the course for free?

Yes. The first 2 lessons are free previews. Sign up and open them straight away to see exactly how the course teaches — no payment details needed.

+Which language are the explanations in?

Explanations are written in Portuguese, while examples, exercises and audio stay in Dutch. You always understand the rule before you have to use it.

+How is the course structured?

It runs across 6 CEFR levels and 110 lessons, grouped into units. The full outline is on this page, so you can see every lesson title before you start.

+How long does it take to make real progress?

Most learners reach a confident B2 in about nine months of steady daily practice across grammar, reading, listening, writing and speaking.

+Can I study on my phone?

Yes. Mynawoo works in the browser and in the mobile app, and your progress, notebooks and Leitner cards stay in sync between them.

Ready to start Dutch?

Create a free account, open the preview lessons, and keep going only if it feels right.

Start with 2 free lessons. No card, no commitment.

Related courses